Société des Missions Africaines – Province de Hollande
![]() |
né le 6 février 1919 à Kerkrade dans le diocèse de Roermond, Hollande membre de la SMA le 15 juillet 1941 prêtre le 16 juillet 1945 décédé le 19 avril 1994 |
1946-1981 diocèse de Keta-Ho, Ghana décédé à Mechernich, Allemagne, 19 avril 1994 |
Pater Theo MAESSEN (1919 – 1994)
Afkomst.
Theodorus Alphonsus Maessen, zoon van Theodorus Maessen en Anthonia Maria van Aken, werd geboren te Kerkrade op 6 februa¬ri 1919, als de oudste en enigste jongen in dit gezin van vier kinderen. Vader was een functionaris bij de Dominiale Mijnen te Kerkrade.
Opleiding.
Na de lagere school in Kerkrade (1925-1931), ging Theo naar het kleinseminarie van de Afrikaanse Missiën te Nieuw Herlaer in St. Michielsgestel, waar hij studeerde van 1931 tot 1933.
Toen haalde vader zoonlief van het seminarie terug om in de minder beschermde wereld daarbuiten een meer bewuste keuze te kunnen laten maken. Als extern student ging Theo hierna naar het R.K. Gymnasi¬um te Heerlen van 1933 tot 1937. Hij bleef echter bij zijn keuze en deed de laatste twee jaar van zijn middelbare opleiding te Cadier en Keer van 1937 tot 1939.
Toen reeds was hij ‘bezeten’ van de natuur en had een bijzon¬der scherp oog, oor en gevoel hiervoor. Het laatste jaar mocht hij voor het tuintje zorgen van pater Schoonen, gelegen voor de Calvarieberg aan het eind van de huidige beukenlaan naar het kerkhof. Enkele beukenboompjes, met toen een doorsnee van ca. 20 cm., moesten zelfs in die jaren wijken voor dit tuin¬tje. Met trots liet hij ook zijn klasgenoot en vriend Kees Priems meegenieten van de koffiebruine eitjes van de nachte¬gaal op de terrein van het missiehuis.
Theo zou in september 1939 naar Hastings gaan voor de hogere studies van philos¬ophie en theologie, doch het uitbreken van de wereldoorlog verhinderde dat. In november 1939 kon hij zijn studies voortzetten in het gehuurde gebouw van de paters Jezuïeten te Aalbeek bij Hulsberg. Na de philosophie, op 15 juli 1941, legde Theo zijn eerste eed af. Reeds toen werd opgemerkt dat zijn bijzondere interesse voor planten en dieren wel eens ten koste van zijn studies ging. Ook tijdens de theologie kreeg hij te horen dat hij moest kiezen tussen hobby en studie. Door de eedaflegging in 1944 werd hij permanent lid van de Soci¬teit. Daags erna, op 16 juli, werd hij te Aal¬beek door Mgr. van Roosmalen CssR, subdiaken gewijd, en ging ver¬volgens op vakantie. Vanwege de snelle be¬vrijding van Zuid-Limburg konden hij en Sjef Lennertz spoedig hun studies voort¬zetten, zodat ze op de normale tijd, 16 juli 1945, in Aalbeek door Mgr. Lemmens priester gewijd werden. De andere acht klasgenoten konden na de zomer¬vakantie van 1944 niet naar het seminarie terugkeren en hebben de winter van 1944/45 onder duitse bezetting doorgebracht. Zij zijn in maart 1946 priester gewijd.
Missionaris.
Pater Theo Maessen werd benoemd voor de missie. Ook andere, on¬der de oorlog gewijde missionarissen, aten te wachten op transportmogelijkheden. Theo en meerdere wachtende collega’s konden op 22 april 1946 vertrekken. In het vica¬riaat van de Beneden Volta in de Goudkust, waarvoor hij benoemd was, ver¬bleef hij de eerste acht maanden te Keta bij overste Bernts om zich te acclimatiseren en de eerste beginselen van de Ewe taal te leren. Daarna werd hij benoemd voor de centrale statie van Kpandu, van waaruit meerdere districten bewerkt werden.
Van 1946 tot 1980 heeft Theo, nu met roepnaam Thij doch door confraters ook dikwijls Dorus genoemd, in Ghana gewerkt. Bij zijn aankomst was het nog regel dat men pas na vijf jaar op vakantie naar Europa ging, doch in de praktijk werd dit al vrij spoedig 4½ of 4 jaar en sinds 1970 werd dit teruggebracht naar 3 jaar. Het vervoer werd ook sneller en gemakkelijker omdat sinds 1960 bijna nie¬mand meer met de boot reisde, doch per vliegtuig, eerst Rap¬tim-charter en daarna per reguliere lijndienst.
Na zijn eerste toer, voornamelijk in Kpandu, was Theo in zijn tweede toer, van 1951 – 1955, assistent te Ho, belast met de buitenstaties van het district. Daarna was hij pastoor te Anfoega (1956-61), Papase (1961-6), Likpe Mate (1962-66), Anfoega (1966-67), Hohoe (1967/68) en opnieuw te Likpe Mate van 1968 tot 1980.
Reeds tijdens zijn eerste toer had hij een traumatische erva¬ring. Na zijn inleiding te Keta was Theo be¬noemd voor Kpan¬du. In februari 1949 was Bertus Bernts, nog steeds overste te Keta, een weekje op bezoek geweest in Kpandu. Theo, die toch voor bood¬schappen naar het zuiden moest, zou zijn vroegere overste wel terug¬brengen naar Ke¬ta. In de Vane-pas merkte hij dat de remmen van de jeep het niet deden en dat hij de wagen niet kon hou¬den. Hij gilde tegen Bertus: « Spring eruit, spring eruit » .
« Doch Bertus scheen verstijfd van schrik. De jeep kwam met vaart tegen de rots, kantelde, vloog over de kop, en daar lag Bertus; bloed kwam uit neus en mond. Hij ademde nog een paar keer en toen was het afgelopen.
Theo Maessen heeft hem nog geabsolveerd. Je kunt begrij¬pen wat het voor Theo geweest moet zijn. Een half uur heeft hij alleen bij ‘t lijk op de weg gezeten. Er kwam niks voorbij. Toen kwam er een farmer » (Brief pater Breukel; zie ook L. Bernts 08.02.1949).
Deze man zag de situatie en haalde hulp bij de mensen in Vane. Een lorrie nam Theo mee naar Ho. Vandaaruit is pater G. Hom¬bergen meteen naar de plek des onheils gegaan en heeft het lijk naar Keta gebracht. Bertus was door een nekwervelbreuk om het leven gekomen.
Tijdens zijn latere missionarisjaren heeft Theo heel wat jaren alleen op een statie gezeten. Dat was in het Keta bisdom toch vaker het geval dan in de bisdommen van Cape Coast en Kumasi, omdat, met uitzondering van het noordelijk deel van het bis¬dom, over het algemeen de missieposten veel dichter bij elkaar lagen. In dit geval van pater Maessen was dit misschien ook wel wenselijk, omdat Theo intussen een levensstijl gewend was, die niet met iedereen zou accorderen. Dit had veel te maken met zijn hobby. Zijn belangstelling, tijdens zijn semi¬narie¬tijd, voor planten en dieren is steeds gebleven, evenals trouwens de toentertijd gemaakte bemerkingen. Pater Jan Bec¬kers, een collega en plaatsgenoot, die in hetzelfde bisdom van Keta werkzaam was en hem zeer goed kende, drukte het eens, zeer raak, als volgt, uit:
« He does not allow his work to interfere with his hob¬bies, but he does not allow his hobbies to interfere with his work either ».
Zijn belangstelling voor planten en dieren gold voor hon¬den, katten en kippen, doch ook voor papegaaien en bijen, die je bij hem op de missie van Likpe Mate kon aantreffen. Hij hield zich bezig met het kweken (of culti¬veren?) van orchi¬deeën, maar brandde ook regelmatig koffiebo¬nen en kon daarmee menig collega te hulp komen in tijd van schaarste. Hij hield van jagen en vis¬sen. Doch zijn grote hobby, of misschien beter verwoord, zijn specialisatie was de vlin¬der. Regelmatig trok hij het land in op zoek en jacht naar zeldzame exemplaren en ging zowel bij dag als ‘s nachts de bossen in of naar andere bijzondere lokaties om daar met zijn netje of op andere wijze (b.v. fuiken) bijzondere exempla¬ren te kunnen verschalken. En hij was succesvol. Meerdere tot dan toe zeldzame exemplaren zijn door een internationaal instituut te Parijs geregistreerd en tot dan toe onbekende soorten hieraan toegevoegd. Enkelen ervan kregen zelfs zijn naam zoals ‘ Maesseni’ en Theodori’. Niet alleen werden de vlinders gevangen en bestudeerd, ze werden ook vakkundig behandeld en opgezet in speciaal hiervoor gemaakte ladekastjes. Theo moest daarom ook, als het enigs¬zins ging, met de boot naar huis om zijn kastjes met vlinders te kunnen meene-men. Ze werden eerst bewaard in het Bonefanten museum te Maastricht en zijn later verhuisd naar een universi¬teit in Florida, U.S.A.
Toen Mgr. Konings, die hij regelmatig in Kpandu ging bezoe¬ken, en andere vertrouwde collega’s, waar hij regelmatig con¬tact mee had, definitief terugkeerden naar Nederland, begon Theo zich eenzamer te voelen. In 1980 besloot hij defini¬tief Ghana te gaan verlaten: het was meer dan 36 jaar sinds zijn eerste aankomst! De tijden waren enorm veranderd en ook de jaren (en de kwaaltjes) begonnen mee te tellen.
Na een goede vakantie in Nederland, ging hij naar Duitsland en sloot zich aan bij de S.M.A.- leden in het bisdom Aken. Na enige maanden assistent geweest te zijn in Monchengladbach, werd hij op 1 augustus 1982 pastoor van twee kleine parochies nabij Mechernich: Holzheim en Harzheim. Zijn zus, mevrouw Th. Woudenberg uit Baarn, was sinds 1979 weduwe en is later ook naar Duitsland gegaan om haar broer bij te staan in de huis¬houdelijke zaken. Twaalf jaar heeft Theo met liefde en plezier in dit gebied van de Eifel gewerkt. Zoals in Ghana ging het ook hier om God, mens en natuur, zoals vermeld op zijn bid¬prentje:
« Er war ein Freund und Liebhaber der wunderbaren Geschöp¬fe Gottes – Falter, Bienen, Orchideen ».
Gestorven.
Begin 1994 kreeg hij van de dokter te horen dat hij ongenees¬lijk ziek was. De voortwoekerend kwaal greep snel om zich heen. Eigenhandig schreef hij een drie bladzijden tellend testament:
« Laatste Wilsbeschikking van Pater Theo Maessen s.m.a.
Gemaakt te Holzheim, in het volle bezit van mijn ver¬standelijke vermogens, op de 9e Februari, 1994″.
Nuchter en zakelijk regelde hij op schrift zijn nalatenschap ten gunste van zijn zus Therese (mevr. Woudenberg), de Soci¬teit en het bisdom Keta-Ho, na het stipuleren van enkele legaatjes voor familie en vrienden.
Vijf weken lang heeft hij chemotherapie gehad doch toen dat niet aansloeg is men hiermee op 8 april gestopt. Op 19 april 1994, om 18.00 uur, is hij gestorven in het zie¬kenhuis te Mechernich. Hij werd 75 jaar.
Op zaterdag 23 april werd in Mechernich-Holzheim afscheid genomen van ‘Pfarrer Theodor Maessen’. Denis van de Laak ging voor in de Eucharistieviering. Daarna werd het lichaam over¬gebracht naar Cadier en Keer. Op maandag 25 april vond daar, in de kapel van het missiehuis, de plechtige uitvaartdienst plaats. Payter Kees Priems, oud-vicaris-generaal, maar vooral klas¬genoot en vrie¬nd, ging voor in concelebratie. Hij had Thij zeer goed gekend als een van nature echt plichtsge¬trouw en soms zelfs een ietwat scrupuleus priester. In zijn homilie, aansluitend op de lezingen, ging hij in op het ge¬bruik van de talenten en begaafdheden en het priester-missio¬naris zijn volgens de richtlijnen die ten grondslag moeten liggen aan ‘het weiden van Gods kudde, zoals het God behaagt’ en Petrus het uitdrukte in de eerste lezing. Denis van de Laak leidde de absoute en ging voor in de processie naar de be¬graaf¬plaats van het missiehuis, waar Theo werd begraven bij zijn collega-missionarissen.
De kapel was goed bezet: twee bussen en meerdere privé auto’s met parochianen waren uit Duitsland gekomen met, naar ‘s lands wijs, vele grote zware kransen. Afwezig was zijn zus Margot Bremen uit Kerkrade, die een paar weken tevoren, op bezoek bij haar stervende broer, een heup had gebroken en opgenomen moest worden in het ziekenhuis in Duitsland. Zij werd op de dag van de begrafenis uit het ziekenhuis ontslagen.
Bronnen:
– Archief nederl. provincie S.M.A., Cadier en Keer.
– Onze Krant, nr 100, zomer 1994.

