Société des Missions Africaines (SMA)

Internationale

Le Père Piet WOUTERS

Société des Missions Africaines –Province de Hollande

WOUTERS Piet né le 3 juillet 1902 à Margraten
dans le diocèse de Roermond, Hollande
membre de la SMA le 30 juillet 1922
prêtre le 19 mars 1926
décédé le 21 août 1982

1926-1931 Blitterswijck, directeur spirituel
1931-1936 Bemelen, directeur spirituel
1936-1940 Cadier en Keer, professeur de franàais
1940-1947 Cadier en Keer, supérieur
1947-1952 Cadier en Keer, professeur et préfet des études
1952-1958 Cadier en Keer, supérieur
1937-1958 conseiller provincial
1958-1982 Gulpen

décédé à Heerlen, Hollande, le 21 août 1982,
à l’âge de 80 ans

Pater Pierre WOUTERS (1902 – 1982)

Afkomst.

Petrus Aloysius Joseph Wouters, zoon van Adolph Willem Hubert Wouters (+ 1938) en Johanna Catharina Ploumen, werd geboren te Margra¬ten op 3 juli 1902. Pierre, zoals hij thuis genoemd werd, groeide op in Gulpen en had een viertal getrouwde broers en een ongetrouwde zus. Drie kinderen zijn jong gestorven.

Opleiding.

Na de lagere school te Gulpen, kwam Pierre in 1914 naar het missiehuis te Cadier en Keer. In 1920 ging hij voor de studie van de philosophie naar Chanly in België. Op 30 juli 1922 werd hij daar, door eedaflegging, lid van de Sociëteit. Hierna ging hij naar Lyon voor de studie van de theologie, doch zette deze, na een jaar, voort te Bemelen, waar de nederlandse provincie haar eigen theologische opleiding begonnen was in 1923. Op 19 maart 1926 werd hij priester gewijd in de paro¬chiekerk te Bemelen door Mgr. Cessou S.M.A., bisschop van Lomé in Togo.

Missionaris.

In het dagboek van Bemelen, op 19 mei 1926, lezen we:
« P. Wouters vertrekt uit Bemelen om zich te begeven naar zijn nieuw aangewezen standplaats: Blitterswijck. Deze maatregel was noodgedwongen door het plotseling ziek worden van pater van Leuven. De examens van juli a.s. zullen echter P. Wouters nog worden afgenomen ».
Het dagboek van Blitterswijck vermeldt dat pater van Leuven benoemd was als waarnemend overste om pater Geurts te vervan¬gen. Doch op 23 mei, feest van Pinksteren, lezen we hierover:
« Son supériorat a duré 14 jours et 21 heures ».
Daarom moest pater Pierre Wouters onverwachts inspringen tot de komst van pater Ruud van Ooijen. Hij bleef daarna in het missiehuis te Blit¬ters¬wijck als geestelijke leider van de broederopleiding.

Na de eerste provinciale vergadering in 1931 werd pater Wou¬ters benoemd tot geestelijke leider van het noviciaat te Bemelen. Eind 1935 kwam hierin verandering. De philosophie, gecombineerd met het noviciaat, werd overgeplaatst naar Has¬tings in Engeland. Pierre Wouters werd benoemd voor het mis¬siehuis Nieuw Herlaer te St. Michielsgestel. Hij vroeg, ‘van¬wege familieomstandigheden en zorg voor en om zijn ouders’, een benoeming dichter bij huis (Gulpen). Hierop werd hij, vanaf begin 1936, benoemd tot leraar frans in het missiehuis te Cadier en Keer. Vanwege een hartaandoening moest hij het wat rustig aan doen. Hij had hier gauw zijn draai gevonden. In 1937 werd hij gekozen om zijn collega’s te Keer te vertegen¬woordigen op de provinciale vergadering en om als lid van de nederlandse afvaardiging deel te nemen aan de algemene verga¬dering.

Tijdens de provinciale vergadering van 1937 werd Pierre geko¬zen als raadslid van de provinciaal en in deze functie herko¬zen in 1946 en 1952. Vanaf 1937 tot en met 1958 heeft hij dus de provinciaals ten Have en Mondé in het bestuur van de pro¬vincie bijgestaan.

In 1940 bleek dat de benoeming van Kees de Roy, in 1937, tot overste /econoom van het seminarie te Cadier en Keer, een mis¬greep was. Hij nam die taak veel te zwaar en te serieus op. Daarbij kwam, in 1940, nog de spanning van de oorlogstoe¬stand, de onzekere toekomst, de verantwoorde¬lijkheid voor de jongens. Hij werd volkomen over¬spannen en ging voor rust naar Noord¬wijk. Pater Pierre Wouters nam als waarnemend overste van hem over. In oktober 1940 ontving pater de Roy een schrijven van provinci¬aal ten Have, die hem adviseer¬de zijn ontslag als overste in te die¬nen, wat hij bij schrijven van 15 oktober 1940 heeft gedaan. Pater Wouters werd nu officieel be¬noemd om als overste van het missiehuis over te nemen.

Het was een verantwoordelijke taak in een moeilijke tijd. Naast de normale verantwoordelijkheid voor staf en studenten kwam nu hierbij nog de onzekerheid en dreiging als gevol¬g van oorlog en bezetting: de constante zorg voor de primaire le-vensbehoeften: eten en kleding, gezond¬heid en veiligheid. Meer¬dere keren braken er in deze jaren rood¬vonk en difterie uit onder de studenten, regel¬matig was er luchtalarm, een twintig¬tal keren zijn de duitsers aan de deur geweest en dreigde bezetting van het missiehuis. De overste kreeg de schrik van zijn leven, toen hij op zekere dag bevel kreeg om te Maastricht voor de bezetter te verschij¬nen, zonder verdere opgaaf van redenen. Met angst in het hart en wat benodigde spullen in de koffer, toog pater Pierre Wouters stadwaarts naar het opgegeven adres. Daar kreeg hij te horen dat hij verantwoordelijk werd gesteld voor het niet tijdig verwijderen van geplaatste missiebusjes, ondanks het bevel hiertoe van de bezettende macht: ‘Winterhulp-Nederland’ was de enige toege¬stane organisatie om te collecteren. Na belofte dat zulks alsnog direct zou gebeuren, mocht hij voor deze keer nog ongestraft huiswaarts keren.

Op 16 oktober 1942 werd, wegens heersende tabaksschaarste, het roken van sigaretten, tot dan verboden, toegestaan.
Op 8 juni 1943 werd met het graven van een schuilkelder begon¬nen. De plaats van de ondergrondse berging van wijnen werd vergroot en met hulp van mannen van de luchtbescherming te Maastricht en technische assistentie van deskundigen en het werk van eigen studenten werd een trappengang gebouwd naar het missiehuis, wat nogal vertragin¬gen ondervond door instortin¬gen. Op 19 december 1943 vond de inzegening van de schuilkel¬der plaats.

Tijdens deze oorlogsjaren werden oipgericht: de Studenten-Missie-Actie ‘Pater van de Pavoordt’, evenals de studenten-acade¬mie, de voetbalvereniging met de clubs ‘Ares’ en ‘Miner¬va’, en ook de Lucht-Beschermings-Dienst (L.D.B.)

De invasie in Normandië op 6 juni 1944 riep meteen reacties op van bezorgde ouders van studenten. Op 4 juli kwam het 20ste bezoek van de duitsers met het bevel dat op 24 juli het gebouw leeg moest zijn. De studenten en sommige stafleden gingen op vakantie: het missiehuis was nagenoeg leeg, doch er kwamen geen duitsers! Op 2 september 1944 trokken ze pas erin. De achtergebleven bewoners trokken zich terug in het zusterhuis. Van 3 tot 6 september kwamen steeds meer duitsers. Een 200 vluchtelingen vonden een plaats in de schuilkelder. De bevrij¬ding door het Amerikaanse leger kwam op 13 september. Van 30 sep¬tember 1944 tot Palmzondag 1945 zijn er amerikanen in het mis¬sie¬huis geweest. Verschillende groepen volgden elkaar op.
Op 8 mei begon de grote schoonmaak. De OLA-zusters kwamen aanvankelijk niet terug: één van hen was te Broeksittard door een granaatscherf om het leven gekomen; de overste was gestor¬ven. De zusters van Heijthuizen namen tijdelijk hun plaats in. Het seminarie werd weer geopend op 11 mei 1945 en een veertig¬tal studenten, voorname¬lijk uit Brabant en Limburg meldden zich de eerste dag en langzaamaan druppelden er steeds meer binnen.

Na de provinciale vergadering van 1946 werd pater Louis Moon¬en, juist terug van een ononderbroken twaalfjarig verblijf in de Goudkust, benoemd tot overste van het missiehuis. Op 7 januari 1947 heeft pater Wouters hem voorgesteld aan staf en studenten en aan hem overhandigd. Zelf bleef hij als studie-prefect en leraar frans. Aan het eind van dit zesjarige man¬daat werd Pierre Wouters opnieuw benoemd tot overste van het mis¬siehuis.

Tijdens de periode Wouters – Moonen – Wouters vonden grote veranderingen plaats. Een nieuwe, andere, tijd brak aan. De intellectueel betere stu¬den¬ten gingen reeds, sinds 1947, op voor sta¬ats¬examen: hiervoor wa¬ren zelfs leken als lera¬ren in¬ge¬hu¬urd. Eigen erken¬ning als gymna¬siale oplei¬ding was het doel, zowel vanwege de finan¬ciële aspecten als¬ook vanwege het moge¬lij¬ke be¬lang voor de studen¬ten en de wens van hun ou¬ders.

In deze tijd onder de oversten Louis Moonen en Piet Wouters uit Gulpen, bijge¬naamd ‘de Paps’, kwamen voor de studenten meer vrijheden en contacten naar buiten. Van tijd tot tijd werden voetbalwedstrijden ‘naar buiten’ georganiseerd.
De stu¬den¬ten van het missiehuis van Keer namen deel aan de culture¬le jeugd¬middagen van de scholen en opleidingen in en rond Maas¬tricht met programma’s over kunst, muziek, film, literatuur, etc.

Veel studenten herinneren zich Pierre Wouters en zijn, mid-trimestriële, stereo¬type manier van het voorlezen van de punten voor gedrag en vlijt. Ook werd dikwijls zijn uitdruk¬king geciteerd, dat de studenten, bij handenarbeid, voor een dubbeltje verdienden, doch voor een gulden kapot maakten.

Een traumatische gebeurtenis was de brand, die in de nacht van de 14/15de maart 1954 uitbrak in het missiehuis te Cadier en Keer en de gebouwen voor een groot gedeelte in de as legde. Ge¬lukkig vielen er geen persoonlijke slachtoffers, dank zij een perfecte interne organisatie. Heel wat zaken moesten snel aange¬pakt worden. De studenten moesten weer ge¬kleed worden en onderdak krijgen. Er moest r¬u¬i¬mte g¬e¬z¬o¬cht w¬o¬r¬den om e¬r¬g¬ens, op tijde-lijke basis, de stu¬dies te kun¬nen vo¬ort¬zet¬ten, vooral met het oog op een mogelijke erken-ning. De Trappisten van het klooster Lilbosch-Echt waren zo gastvrij een gedeelte van hun kloostergebouwen tijde¬lijk be¬schikbaar te stellen.
Voor staf en studenten was het behelpen, terwijl de schrik voor een nieuwe brand er goed in zat. Toch ging het lespro¬gramma gewoon door. De werk¬zaam¬he¬den in Keer aan een nieuw schoolblok, kort tevo¬ren begonnen, gin¬gen in ver¬sneld tempo door. Precies een jaar na de brand, op 15 maart 1955, kon de pro¬vin¬ciaal Hein Mondé de eerste steen leggen. Het nieuwe schooljaar begon, zij het ietwat vertraagd, op 20 september in de nieuw¬bouw, hoewel die nog niet helemaal afge¬werkt was.

Vanzelfsprekend is al het vermelde niet enkel het werk van pater Pierre Wouters, doch hij is er wel bij betrokken geweest en van 1940 tot 1958 ¬als overste of studieprefect in een verantwoordelijke positie. Hij deed dit op eigen wijze, vader¬lijk (‘de Paps’), wijs, mild, of zoals sommigen zeggen: met zijn gezond boerenverstand en op zijn limburgs!
Limburger was hij en wilde dit weten. Met zijn motorfietsje pufte hij regelmatig naar Gulpen. Hij kwam weinig buiten zijn provincie. Studenten vertelden zelfs, dat hij, op een busex¬cursie met de studenten naar het nieuw verworven huis te Oosterbeek, vóór het verlaten van het territoriaal gebied, tij¬dens een stop in het noord-limburgse, zijn portefeuil-le met geld voor betalingen overdroeg aan een colle¬ga.

Plots kwam het einde van zijn actieve carrière. Na 21 jaar lid van de provinciale raad geweest te zijn, werd hij in 1958 niet herkozen. Het nieuwe bestuur benoemde hem tot geestelijk leider van het grootsemi¬narie te Aalbeek. Het was moeilijk voor hem om afscheid te nemen van het missiehuis te Cadier en Keer, waar hij zo mee verknocht was. In eerste instantie wilde hij vanuit Keer geestelijke leiding gaan geven aan de studen¬ten van Aalbeek.

Uiteindelijk trok hij zich terug bij zijn zus Jeanne in de Del bij Gulpen. Hij verleende op verzoek wat assistenties in de parochies van Gulpen en Reimerstock, werkte in de tuin en genoot jarenlang temidden van zijn familie en plaatsgenoten van de rustieke omgeving van Gulpen.

Overleden.

Met zijn zwakke gezondheid doch goede verzorging werd hij oud.
Doch in augustus 1982 kreeg hij een beroerte en raakte rechts ver¬lamd, sprak moeilijk, maar het verstand bleef goed. Op 13 augustus kreeg hij nog bezoek van een provinciaal bestuurslid en leek zijn situatie hoopvol. Op 17 augustus moest hij opge¬nomen worden in het zie¬kenhuis te Heerlen. Daar overleed hij op 21 augustus 1982, 80 jaar oud.

De plechtige uitvaartdienst vond plaats in de parochiekerk van de H. Petrus te Gulpen op donderdag 26 augustus 1982, waarna hij daar op het parochiekerkhof begraven werd.

Bronnen:
– Archief Nederl. provincie S.M.A., Cadier en Keer.
– J. van Brakel in ‘100 jaar S.M.A. in Nederland’, pg. 70.
– Onze Krant, nr. 53, sept. 1982.